Het kind en het virtuele milieu

Martine Delfos introduceerde in 2006 de term ‘het virtuele milieu’. Met die term verwijst ze naar de fictieve wereld, gecreëerd door de media, waarin kinderen en ouders zich zowel passief als actief bewegen. Passief als het gaat om tv en video kijken. Actief als het gaat om internet, computers, mobieltjes en gamen. Kortom, een wereld waarin men zich zowel als zichzelf als met een andere identiteit kan bewegen. Dit virtuele milieu wordt ook wel het vierde virtuele opvoedmilieu 1 genoemd. Naast het gezin, de school en de wereld daaromheen, wordt de virtuele wereld gezien als het vierde milieu dat gericht is op de opvoeding van het kind. Volgens Delfos (2009) is de invloed van het internet en de computer op kinderen door dit virtuele milieu sterk toegenomen. Tevens geeft ze aan dat ouders vaak onvoldoende helder hebben wat voor risico’s het gebruik van digitale media kan hebben voor hun kinderen.

Het Nederlands Jeugdinstituut (2013) beschrijft twee typen risico’s van media voor kinderen. Ten eerste met betrekking tot de risico’s die te maken hebben met de hoeveelheid tijd dat het kind besteedt aan media. Ten tweede met betrekking tot de inhoud van mediaproducties. Risico’s die te maken hebben met de hoeveelheid tijd die kinderen aan media besteden hebben bijvoorbeeld betrekking op het langdurig gebruik of bezig zijn met een beeldscherm, met als gevolg dat er te weinig tijd overblijft voor andere activiteiten. Voorbeelden van risico’s met betrekking tot de inhoud van (interactieve) media zijn: agressie, oplichterij en bedrog, scheldpartijen en bedreigingen, cyberpesten, geweld, grof taalgebruik, ‘grooming’ , privacy problemen, verslavingen en seks. Uiteraard is het niet zo dat elk kind dat gebruik maakt van (interactieve) media schade oploopt. Maar de kans op blootstelling aan schadelijke invloeden is de afgelopen jaren sterk toegenomen, wat de kans op of het optreden van negatieve effecten vergroot.

Lees verder: