10 pijlers voor ICT voor het leren

Gezien het praktijkprobleem is bekeken welk wetenschappelijke bewijs er te vinden was op het gebied van de beschreven pijlers van digitale didactiek die Simons (2003) en Rubens (2013) verbindt aan ICT. De 10 pijlers zijn gekoppeld aan wetenschappelijke voorbeelden wat er bereikt kan worden als ICT voor het leren toegepast wordt in het onderwijskundig ontwerp. De voorbeelden, uitgevoerd in verschillende wereldwijd opleidingen in het hoger onderwijs bewijzen de effecten van het ICT gebruik voor het leren van studenten.

  1. Relaties leggen: ICT kan de muren laten wegvallen waardoor er andere onderwijsomgevingen kunnen ontstaan. Men kan dan denken aan onder andere leer/werkplaatsen waarin authentiek leren centraal staat: de zogenaamde “community of practise” waarbij studenten, docenten en mensen uit de praktijk kennis vergaren die door ICT sterk ondersteund kunnen worden. Didderen & Verjans (2012) beschrijven in hun artikel de vele mogelijkheden van Open Educational Recources (OER’s) bieden. Dit zijn online learning netwerken waar ieder van gebruik kan maken.
  1. Creëren: hiermee wordt het creëren van nieuwe kennis bedoeld dat kan ontstaan door samenwerkend leren met behulp van ICT. In het Engels wordt dit Computer Supported Collaborative Learning (CSCL) genoemd. Dit, samen met Argumentation Based Computer Supported Collaborative Learning (ABCSCL), waarbij studenten in een academische leeromgeving onderwezen worden in het redeneren en argumenteren in een domein specifieke situatie, maakt dat het delen van kennis en het samen construeren van kennis het leren bevordert (Noroozi, 2013). Een voorbeeld zijn Massa Online Open Courses (MOOC’s) cursussen die tot op heden door een inhoudelijk expert worden gegeven waarbij de inschrijving over de hele wereld geopend is en de cursus al dan niet eerst door een weblecture wordt aangeboden, met vaak een chatsessie achteraf waarin nog vragen ter verduidelijking kunnen worden gesteld.
  1. Naar buiten brengen: lerenden raken nog gemotiveerder als zij hun leeropbrengst naar buiten kunnen brengen. Met behulp van ICT kunnen studenten er voor kiezen hoe zij hun ontworpen producten publiceren. Voorbeelden hiervan zijn online lees- en/of schrijfgroepen en virtuele miniondernemingen waarbij de leeropbrengst weer voor en door andere lerenden kan worden gebruikt.

Met behulp van digitale tools zoals Facebook, WordPress, Whatsapp en Twitter kunnen individuen snel publiceren in korte teksten, foto’s, video’s en bijlagen toegangelijk maken via ‘links’ waarop doorgeklikt kan worden.

  1. Transparant maken: hierbij geeft Simons (2003) aan dat de denk- en samenwerkingsprocessen tussen studenten onderling beter inzichtelijk gemaakt kunnen worden met behulp van ICT omdat het handvatten aanreikt om ook het leerproces van de student inzichtelijk te maken. Bijvoorbeeld met behulp van het meten en verzamelen van ‘learning analytics’, die gemaakte opdrachten van studenten weergeven in een virtuele leeromgeving, wordt het inzichtelijk hoe leeractiviteiten ondernomen worden en wat uitslagen van formatieve en summatieve toetsing zijn. Hier kunnen docenten patronen mee ontrafelen die inzicht geven in het leerproces van de student. Hierop kan vervolgens individueel gerichte ondersteuning plaatsvinden.
  1. Leren leren bevorderen: Studenten kunnen zich ontwikkelen tot professionals als zij in onderwijskundige settings de opbouw van argumentaties en het voeren van gezamenlijke discussies al aangeleerd krijgen. Ze zijn dan bezig met het oplossen van complexe vraagstukken; hiermee wordt de metacognitieve ontwikkeling gestimuleerd (Noroozi, 2013). Shieh (2012) beschrijft bijvoorbeeld in een artikel haar bevinden op het gebied Technology Enabled Active Learning (TEAL). Ze laat hiermee zien hoe digitale didactiek, mits een juiste manier ingezet, activerend onderwijs kan ondersteunen.
  1. Competenties centraal stellen: Het werken aan kennis, houding en vaardigheden kan in beeld gebracht worden middels een portfolio dat bestaat uit toetsen, werkstukken, feedback van medestudenten en begeleiders, foto’s en video’s. Een voorbeeld is de Virtual Action Learning (VAL) waar onder andere de opleiding Verpleegkunde op de Hogeschool Rotterdam mee werkt. In zeven tot tien stappen kan de student middels e-learning zijn leerproces in kaart brengen. Neo (2012) onderstreept hoe multimedia activiteiten en ICT (in een Multimedia Web Learning Environment, MWLE) de student uitdaagt in zijn leerproces als deze gebruik maakt van activiteiten waarbij er iets te ontdekken valt voor de student. Het artikel beschrijft ook authentiek leren waarbij participatie in virtuele community’s of practices een hulpmiddel kan zijn bij het leren.
  1. Flexibiliteit bevorderen: buiten het feit dat studenten met verschillende devices op verschillende plaatsen en tijden kunnen leren wijst Simons op verschillende vormen van sturing. Strakke sturing, waar mee bedoeld wordt vaste lessen op vaste tijden op een vaste plaats; gedeelde sturing, waarbij lerende en begeleiders samen bepalen waar het leren plaats vindt; als derde losse sturing, waarbij lerende zelf hun leerweg vormgeven om competenties te behalen. ‘Flipping the classroom’ is een vorm van blended learning waar tegenwoordig veel over gepraat, geschreven, gefacebooked en getweet wordt (Beuving, Van Geijn & Salden, 2013). In het kort komt het hier op neer dat informatie van een expert, een docent, niet voor de klas eenmalig wordt toegelicht. Flipping the classroom wil toe naar maatwerk constructie, wat zoveel betekent, dat binnen het samenwerkend leren de instructie van de docent in groepjes gegeven wordt. Een deel van de les wordt online aangeboden en hier komt de vorm van blended learning om de hoek kijken. Flipping the classroom is ontstaan in de Verenigde Staten en werd populair toen twee docenten op hun website erover begonnen te schrijven (Bergmann & Sams, 2012). Ze begonnen met het opnemen van hun natuur- en scheikundelessen en hun achterliggend idee was dat de lerende meer regie zou krijgen over hun eigen leerproces en het tempo waarin geleerd werd. Daarnaast zijn studenten hierdoor actief bezig met de lesstof. En dat is de kern: een “omgekeerde les” waarbij leren een diepere betekenis krijgt door het actief je verdiepen in de lesstof, waardoor lerende de lesstof echt gaan begrijpen en beheersen. In Nederland wordt hier op Twitter en op congressen op dit moment veel aandacht aan besteed. Als dit voorbeeld uitvergroot bekeken wordt dan betekent dit dat verschillende onderdelen uit een curriculum online geplaatst kunnen worden waarbij studenten op verschillende manieren, al dan niet zelfstandig, hun leertraject doorlopen.
  1. Selectieve informatiereductie mogelijk maken: mobiele technologie leidt tot een nog grotere flexibiliteit in tijd- en plaats ongebonden leren, maar ook dat de lerende hiermee beter patronen leert te herkennen, en leert efficiënter om te gaan met massa’s informatie (selectieve informatiereductie) waarbij een onderscheid in relevante informatie aangeleerd dient te worden. In hun artikel over Evidence Based doceren in het Hoger Onderwijs met ICT bespreken Van den Berg en Kirschner (2012) het zogenaamde TPACK model (Technical PAdagogical Content Knowledge). Een korte toelichting op het model houdt in dat een docent zijn vakinhoudelijk kennis op een pedagogische manier combineerd met technologie. De digitale didactiek wordt op zo’n manier ingezet dat de vakkennis technologisch ondersteunt wordt. Tegleijkertijd wordt een docent zich bewust van zijn eigen kennis en vaardigheden in het gebruik van ICT en hoe hij met behulp van ICT zijn vakkennis op pedagogisch digitale didactische manier kan inzetten.
  1. Multimedia beter en gebruiksvriendelijker binnen leeractiviteiten integreren:

Geheel of gedeeltelijk digitaal onderwijs ontwerpen vraagt om nieuwe benaderingen en nieuwe competenties. Rubens’ (2013) redenering is dat als lerende, rekening houdend met voorkennis en leerbehoeften, in hun eigen tempo kunnen leren, dit een meer individuele aanpak vergt en dus een andere didactiek. Individueel moet hierbij niet verward worden met alleen of eenzaam. Nieuwe trends op het gebied van ICT en leren bieden de mogelijkheid om authentieke, betekenisvolle en uitdagende leerstof te ontwikkelen en te gebruiken. Nieuwe visies en stappen zijn gezet om het ontwikkelen van kwalitatief goede content sneller te ontwikkelen en te zorgen dat het up-to-date blijft in een virtuele leeromgeving, al dan niet met het gebruik van ebooks. In een uitgebreide publicatie stelt Vandeput (2011) dat er sprake is van (geïntegreerd) gebruik van ICT als er doordachte koppelingen worden gemaakt en expliciete aandacht wordt besteed aan onderwijskundige ontwikkelingen zoals aantrekken van en tegemoet komen aan specifieke doelgroepen, levenslang (open en flexibel) leren, aan de didactiek met aandacht voor adaptief onderwijs, flexibiliteit in het leerproces, aan de onderwijsadministratie en de planning en logistiek van een opleiding, aan het HRM-beleid van de instelling (functioneringsbegeleiding, aanwervingsproblematiek en professionalisering van medewerkers) online summatief examineren en formatief toetsen en bovenstaand gekoppeld aan technologie waarbij je ontwikkelingen en toepassingen moet onderhouden (Vandeput, 2011).

  1. Social media: omdat social media steeds vaker voor leren wordt gebruikt rechtvaardigt dit een vermelding als tiende pijler van digitale didactiek (Rubens, 2013). Social media appelleren sterk aan gevoelens van autonomie “het zelf willen doen wanneer het de lerende uitkomt’ , het gevoel van competent voelen en aan het gevoel van sociale verbondenheid. Zoals Deci en Ryan (2009) beschrijven, bevorderen deze factoren de intrinsieke motivatie en daarmee indirect ook de leerprestaties.

Lees verder: