Conclusie en literatuur

Bovenstaande tekst is een weergave van de 50 minuten durende workshop die op 1 oktober gegeven is op het tweedaagse landelijke VBSP-congres, De Pedagoog in de spotlights in de 21ste eeuw. De workshop had als titel: de pedagoog in het virtuele milieu. Deze publicatie is niet gebaseerd op eigen onderzoek, maar betreft een beschrijving van een zoektocht naar hoe studenten pedagogisch verantwoord onderwezen kunnen worden in het gebruik van social media in het virtuele milieu in het algemeen en mediawijsheid in het bijzonder. Het is inmiddels duidelijk dat social media geen hype van voorbijgaande aard zijn. Om als pedagoog ouders en opvoeders te kunnen adviseren over kansen en bedreigingen in het vierde virtuele milieu, is het voor ons allemaal van belang om mediawijs te zijn en te blijven. De noodzaak wordt zeker niet alleen bepaalt door de negatieve aspecten, maar juist ook vanuit het oogpunt bewust, kritisch en actief deel te nemen aan de virtuele wereld, waarin media nu eenmaal een bepalende rol spelen. De opleiding Pedagogiek is bij uitstek geschikt als opvoedinstituut om hiermee aan de slag te gaan en kan een belangrijke bijdrage leveren aan mediaopvoeding en mediawijsheid onder (toekomstige) professionals. De uitdaging ligt in het vinden van de juiste balans tussen kansen, risico’s en het (preventief) handelen in het belang van het kind.

Literatuur

Biesta, G. (2012). Goed onderwijs en de cultuur van het meten. Ethiek, politiek en democratie. Den Haag: Boom/Lemma.

Boswinkel, N., &, Schram, E. (2011). De Toekomst Telt. Enschede: Ververs Foundation & SLO. Verkregen op 26 juli 2013 via deze site.

Delfos, M. (2009). Het virtuele milieu. Verkregen op 6 maart, 2014, via deze site.

Delfos, M. (2012). In 80 dagen de virtuele wereld rond. Uitgeverij SPW: Amsterdam

Ertmer, P. (2010). Teacher technology change: How knowledge, confidence, beliefs, and culture intersect. Journal of Research on Technology in Education, 42, 255-284.
Fransen, J., Bottema, J., Van Goozen, B., Swager, P. & Wijngaards, G. (2012). Acceptatie en duurzame implementatie van de didactische inzet van ICT. Verkregen op 26 februari, 2013, via deze site.

Kester, L. & Merrienboer J. (2013) Effectief leren van multimediale leerbronnen – deel 2. Verkregen op 20 februari, 2014, via 4w.kennisnet.nl.

Kirschner, P. & Berg, E. van den (2012). Evidence-based doceren in het hoger onderwijs met

ICT. Verkregen op 26 februari, 2013, via deze site.

Knaap, van der A. & Schmidt, V. (2007). Naar een leerlijn informatievaardigheden. Verkregen op 6 maart, 2014, via deze site.

Koninklijk Nederlands Academie voor Wetenschappen (2012). Digitale geletterdheid voor het voortgezet onderwijs. Vaardigheden en attitudes voor de 21st eeuw. Verkregen op 6 maart, 2014, via deze site.

Nelis, H. & Sark, van Y. (2010). Puberbrein binnenstebuiten. Wat beweegt jongeren van 10 tot 25 jaar? Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers.

Nikken, P. (2013) Mediaopvoeding. Verkregen op 24 september 2013 via deze site.

Nikken, P. (2013) Nederlands Jeugd Instituut. Mediarisico’s voor kinderen, een verkenning. Verkregen op 6 maart, 2014, via deze site

Brand-Gruwel, F. L. J. M. (2012). Leren in een digitale wereld: uitdagingen voor het onderwijs. Verkregen op 26 februari, 2013, via deze site.

Trilling, B., & Fadel, C.(2009). 21st century skills: learning for life in our times. San Francisco: Jossey-Bass.

Voogt, J. & Pareja Roblin, N. (2010). 21st Century Skills. Discussienota. Verkregen op 26

februari, 2013, via deze site.

Lees verder:

Onderwijs en het Virtuele Milieu

Social media worden steeds vaker ingezet in het onderwijs als middel om het leren te bevorderen. In dit verband wordt er echter gesproken van de inzet van informatie-en communicatietechnologie. Ook wel basisvaardigheden in de huidige ICT-gedomineerde samenleving genoemd (KNAW, 2012). Stichting Leerplanontwikkeling (2007) stelt dat burgerschap onlosmakelijk verbonden is met mediawijsheid en het leren omgaan met media om te kunnen functioneren in de digitale samenleving. Naar hun mening dient het onderwijs, en in het verlengde daarvan onderwijsinstellingen, een visie te ontwikkelen met betrekking tot ICT en de mogelijkheden die dit biedt om leerprestaties te verbeteren. Kester en Merrienboer (2013) delen deze mening en vullen aan door te beschrijven hoe ICT in het onderwijs werkt en hoe multimediale leerbronnen afgestemd op het leren effectief kunnen zijn. Als deze veronderstellingen kloppen, zal dat betekenen dat docenten studenten intensief zullen moeten begeleiden bij het verwerven van ICT-vaardigheden zodat zij voldoen aan de eisen die worden gesteld door de kennismaatschappij. De vraag blijft echter hoe? Studenten ontwikkelen zich als individu, als lerende, als werknemer en als burger. In elk van deze rollen krijgen zij te maken met technologische ontwikkelingen en de mogelijke invloed daarvan op hun leven. Als we willen dat studenten kunnen functioneren in de kennismaatschappij moeten ze over deze 21st century skills beschikken. Aan ons als onderwijsmakers dan de taak om te bedenken hoe het onderwijs vormgegeven moet worden om de ontwikkeling van 21st century skills, alsmede ICT vaardigheden, te bevorderen..

De situatie is echter complex door de verschillende ‘niveaus’ van ICT-vaardigheden. Volgens Boswinkel en Schram (2011) wordt er bij ICT vaardigheden een onderscheid gemaakt tussen informatievaardigheden, ICT-geletterdheid en technologische geletterdheid. Informatievaardigheden hebben te maken met de capaciteit om informatie op een efficiënte en effectieve manier te vinden, te gebruiken en te evalueren. ICT-geletterdheid verwijst naar het effectief en efficiënt gebruik van technologie. Bij technologische geletterdheid gaat het om het vermogen om technologie te begrijpen, te gebruiken en te evalueren, evenals om technologische principes en strategieën te begrijpen die nodig zijn om oplossingen te bedenken en doelen te realiseren (Voogt & Pareja, 2010). Mediagebruik in het onderwijs moet ook deze aspecten dekken om studenten op te leiden tot professionals die in het bezit zijn van 21st century skills. Daarnaast moet er gewaarborgd worden dat onderwijzen in het onderwijs centraal staat (Biesta, 2012).

De toetreding van het virtuele milieu binnen het onderwijs vraagt om een professionaliseringstraject voor docenten. De rol van de docent in het onderwijskundig proces is en blijft cruciaal. Docenten die ICT als didactisch middel in het onderwijs inzetten, moeten volgens Ertmer (2010) over vier kerneigenschappen beschikken, namelijk: kennis, geloof in eigen kunnen of eigen effectiviteit, onderwijskundige overtuiging, en de mate waarin hij of zij wordt beïnvloed door de cultuur van de onderwijsorganisatie (op cit. Fransen, Bottema, van Goozen, Swager en Wijngaards, 2011). Er zijn geen eenduidige kaders voor hoe dit bewerkstelligd moet worden. Dit betekent dat alle belangrijke stakeholders in het onderwijs zullen moeten samenwerken om beleidskaders en afspraken te maken.

Lees verder:

De pedagoog en het virtuele milieu

Ook pedagogen in opleiding moeten kundig worden in het ondersteunen van ouders ten aanzien van mediaopvoeding. Anderzijds moeten zij in staat zijn om social media in te zetten als instrumenten bij opvoedingsvoorlichting en opvoedingsondersteuning. Daarnaast maken media tegenwoordig onderdeel uit van het onderwijs. Steeds vaker worden media ingezet als didactisch middel. Er is dat geval specifiek aandacht voor manieren om studenten de zogeheten ‘21st century skills’ aan te leren. Hiermee worden de kennis, vaardigheden en attitudes bedoeld die studenten (professionals in opleiding) nodig hebben om te kunnen functioneren in de kennismaatschappij (Trilling & Fadel, 2009). Het onderwijs staat hierdoor voor de uitdaging om curricula te ontwikkelen die aankomende professionals (pedagogen) in staat stellen om enerzijds te kunnen functioneren in de steeds veranderende digitale wereld en anderzijds om opvoedingsondersteuning bij mediaopvoeding aan te bieden.

De opleiding Pedagogiek van de Hogeschool Rotterdam (h)erkent deze uitdaging en heeft een eerste poging gedaan om tot een module te komen om studenten voor te bereiden op het opvoeden binnen dit nieuwe milieu. Het doel van de module is tweeledig. Aan de ene kant is het de bedoeling om studenten mediawijs te maken. Mediawijsheid heeft volgens de Raad van Cultuur (2005) betrekking op alle burgers in de digitale samenleving en wordt omschreven als “het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld.” Het is nodig om goed te kunnen functioneren, goed te kunnen participeren en het nodigt uit tot het produceren en publiceren van content. Kortom, mediawijsheid bevordert de participatie als volwaardig burger in de huidige kennismaatschappij. Aan de andere kant is het belangrijk om studenten voor te bereiden op een arbeidsmarkt die vraagt om competenties waar de kennismaatschappij behoefte aan heeft, namelijk de 21st century skills (Trilling & Fadel, 2009). Volgens Voogt en Pareja (2010) zorgen de omvangrijke technologische ontwikkelingen er voor dat er economische en sociale veranderingen in de maatschappij plaatsvinden. Deze veranderingen zijn op hun beurt de drijfkracht voor de ontwikkeling van 21st century skills. Tevens geven Voogt en Pareja aan (2010, p.10) dat digitale of “ICT competenties centraal staan als het gaat om de verwerving van 21st century skills”. Studenten die onder andere deze digitale competenties beheersen zijn (beter) voorbereidt op de kennismaatschappij.

De uitdaging voor de ontwikkelaars van de module Social Media lag niet alleen in het aanleren van digitale of ICT competenties. Er moest ook worden nagedacht over waar jongeren desbetreffende competenties het beste konden verwerven (Voogt & Pareja, 2010). Om 21st century skills te beheersen moeten studenten ook actief worden betrokken bij hun eigen leerproces. Hiertoe dient de traditionele verantwoordelijkheid die docenten en studenten in het onderwijsproces hebben anders te worden vormgegeven.

De keuze om deze module te ontwikkelen ligt allereerst in het eerdergenoemde belang om aandacht aan mediawijsheid en social media in het onderwijs te besteden. Naast aandacht besteden aan deze zaken is het ook belangrijk dat studenten zelf kennis en inzicht krijgen in mogelijkheden en risico’s die het gebruik van (social) media met zich mee kan brengen. Om dit voor elkaar te krijgen doen studenten tijdens de module oefeningen die hun bewustwording over het gebruik van social media vergroot. Ze worden zich bijvoorbeeld bewust van hun ‘behoefte’ om steeds “connected” te zijn. Een proces dat in het eerste opzicht moeiteloos lijkt, maar dat in werkelijkheid totaal niet is (Nelis & Van Sark, 2010). Studenten krijgen ook inzicht in de rol die social media in hun eigen leven spelen. Ze worden uitgedaagd om na te denken over de kansen en bedreigingen van het gebruik van social media. Hun begrip van kansen en risico’s is essentieel wanneer zij in hun toekomstig beroep preventief willen optreden, voorlichten en ondersteunen. Het tweede doel van de module wordt gerealiseerd door de aandacht van studenten te verleggen naar (jonge) kinderen en opvoeders, zodat ook zij zich bewust worden van de mogelijkheden en risico’s van het gebruik van social media. Thema’s die aan bod komen binnen de module zijn onder andere: digitaal pesten, bewustwording van bescherming van privacy, de omgang met en het gebruik van sociale netwerken en de creativiteit die social media bieden. Studenten gaan ook op onderzoek uit om in kaart te brengen wat de kansen en risico’s die sociale media met zich meebrengen precies inhouden. Andere opdrachten lichten het mogelijke verband tussen het gebruik van social media en de ontwikkelingsfase van een kind toe. Deze opdrachten zorgen ervoor dat studenten zich bewust worden van de rol die zij als toekomstig pedagoog hebben als het gaat om het adviseren en ondersteunen van ouders ten aanzien van het gebruik van social media bij (jonge) kinderen. De module beoogt ook dat het bewustwordingsproces bij studenten door de module social media hen ‘triggert’ om op zoek te gaan naar instellingen waarbij zij hun opgedane kennis en vaardigheden kunnen inzetten ter preventie van (mogelijke) schadelijke effecten van het gebruik van social media. Tevens laat de module zien hoe professionals door gebruik te maken van social media in contact kunnen komen met kinderen en opvoeders in het kader van opvoedondersteuning. Ze ervaren hoe social media een prima middel kunnen zijn om ouders met opvoedvragen of problemen te ondersteunen. Studenten sluiten de module af door middel van een adviesrapport aan de instelling waarbinnen zij stage lopen. Hiertoe nemen studenten interviews af om het social mediagebruik binnen de beroepspraktijk in kaart te brengen. De resultaten van hun onderzoek worden geanalyseerd en verwerkt in het adviesrapport. Naar aanleiding van hun bevindingen formuleren zij een advies met betrekking tot de inzet van social media in de beroepspraktijk. Ook schrijven en delen studenten een leerwinstverslag waarin terug te zien is hoe verschillend de beroepspraktijk omgaat met sociale media.

De eerste evaluaties van de module laten een positieve ontwikkeling zien. Studenten geven aan dat hun ogen zijn geopend. Anderen geven aan social media te (willen) betrekken in hun derdejaars stage. Weer andere studenten ontwikkelen workshops die ze verzorgen voor jongeren. Ook worden er voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd binnen de stage instellingen over het gebruik van social media. Ondanks de positieve resultaten is er nog een (lange) weg te bewandelen. Want, social media hebben ook een andere waarde voor het onderwijs, namelijk de inzet van social media als digitale, didactische middelen.

Lees verder:

Opvoeden binnen het virtuele milieu

Bescherming tegen mogelijke schade is noodzakelijk aangezien het vierde milieu onbedoeld een ‘opvoedende instantie’ is geworden (Delfos, 2009, p.5). Volgens Delfos schuilt hierin het gevaar van het virtuele milieu. De tv en computer zijn “opvoeders” geworden, terwijl dat niet de intentie is.

De verschillende programma’s en activiteiten die aangeboden worden zijn gericht op het verkopen van een product en niet op het opvoeden van een kind. Binnen het virtuele milieu is er dus niemand die de verantwoordelijkheid voor de vorming van het kind op zich neemt. Het kind is dan op zichzelf aangewezen en loopt daardoor mogelijk gevaar.

Een belangrijke vraag die gesteld moet worden als het gaat om mediagebruik is hoe kinderen adequaat kunnen worden bescherm tegen de negatieve invloeden van het virtuele milieu. De twee meest voor de hand liggende manieren om kinderen te beschermen zijn: 1) om ze beperkingen op te leggen, waardoor het kind geen toegang heeft tot de schadelijke inhoud en 2) kinderen bewuster te maken van de gevaren en ze tegelijkertijd handvatten aan te bieden waardoor zij de juiste keuzes kunnen maken wanneer zij media gebruiken. Ofwel: we moeten onze kinderen ‘mediawijs’ 1 maken.

Om dit proces bij kinderen te faciliteren hebben we de input van meerdere partijen nodig. Naast de overheid en landelijke instellingen, is er een belangrijke rol weggelegd voor ouders en professionals. Ouders hebben de eindverantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen. Zij leren hun kinderen welk gedrag acceptabel is en hoe zij zich de geldende normen en waarden eigen kunnen maken. Tevens zijn ouders verantwoordelijk voor het stellen van grenzen aan hun kinderen. Grenzen stellen is erg belangrijk als het gaat om mediagebruik. Jonge kinderen hebben te weinig kennis van de wereld om zonder bemoeienis van de ouders te bewegen in het virtuele milieu. Door grenzen te stellen leren kinderen binnen welke kaders zij zich in het virtuele milieu mogen bewegen. Echter zijn niet alle ouders in staat om hun kind hierin te begeleiden. Ze hebben daarvoor hulp nodig en wenden zich dan tot professionals, waaronder pedagogen.

Volgens Nikken (2013) moet er nog veel georganiseerd worden om een goede professionele opvoedingsondersteuning rond mediaopvoeding 2 te bereiken (op cit. NJI, 2013 p,8). Hij stelt dat er een gebrek aan gestructureerde informatie voor professional is als het gaat om; risico’s van mediagebruik, effectieve media-opvoedingsstrategieën en bruikbare tools die ingezet kunnen worden om mediagebruik door kinderen te beheersen. Het professionaliseren van professionals ten aanzien van mediagebruik is noodzakelijk gezien de sterk gedigitaliseerde kennismaatschappij waarin we leven. Kinderen zullen binnen deze maatschappij steeds meer en steeds vaker blootgesteld worden aan mogelijke negatieve invloeden. Ouders zullen bovendien vaker een beroep doen op professionals als het gaat om mediaopvoeding.

Lees verder:

Het kind en het virtuele milieu

Martine Delfos introduceerde in 2006 de term ‘het virtuele milieu’. Met die term verwijst ze naar de fictieve wereld, gecreëerd door de media, waarin kinderen en ouders zich zowel passief als actief bewegen. Passief als het gaat om tv en video kijken. Actief als het gaat om internet, computers, mobieltjes en gamen. Kortom, een wereld waarin men zich zowel als zichzelf als met een andere identiteit kan bewegen. Dit virtuele milieu wordt ook wel het vierde virtuele opvoedmilieu 3 genoemd. Naast het gezin, de school en de wereld daaromheen, wordt de virtuele wereld gezien als het vierde milieu dat gericht is op de opvoeding van het kind. Volgens Delfos (2009) is de invloed van het internet en de computer op kinderen door dit virtuele milieu sterk toegenomen. Tevens geeft ze aan dat ouders vaak onvoldoende helder hebben wat voor risico’s het gebruik van digitale media kan hebben voor hun kinderen.

Het Nederlands Jeugdinstituut (2013) beschrijft twee typen risico’s van media voor kinderen. Ten eerste met betrekking tot de risico’s die te maken hebben met de hoeveelheid tijd dat het kind besteedt aan media. Ten tweede met betrekking tot de inhoud van mediaproducties. Risico’s die te maken hebben met de hoeveelheid tijd die kinderen aan media besteden hebben bijvoorbeeld betrekking op het langdurig gebruik of bezig zijn met een beeldscherm, met als gevolg dat er te weinig tijd overblijft voor andere activiteiten. Voorbeelden van risico’s met betrekking tot de inhoud van (interactieve) media zijn: agressie, oplichterij en bedrog, scheldpartijen en bedreigingen, cyberpesten, geweld, grof taalgebruik, ‘grooming’ , privacy problemen, verslavingen en seks. Uiteraard is het niet zo dat elk kind dat gebruik maakt van (interactieve) media schade oploopt. Maar de kans op blootstelling aan schadelijke invloeden is de afgelopen jaren sterk toegenomen, wat de kans op of het optreden van negatieve effecten vergroot.

Lees verder:

Onderwijsvernieuwing

In opdracht van de voorzitter van de Vereniging van de Studie ter Bevordering van Pedagogiek (VBSP) heb ik een workshop ontwikkeld met als titel ‘De pedagoog in het vierde virtuele milieu’.

“Onderwijsvernieuwing” verder lezen

Lees verder: